Actieve betrokkenheid tijdens de rekenles
In het speciaal onderwijs hebben we te maken met grote niveauverschillen binnen één groep. Daarin zijn wij vast niet de enige, want ook in het regulier onderwijs kun je te maken krijgen met diverse niveauverschillen. Ik zie dit niet als een probleem, maar eerder als een uitdaging. De grootste vraag is dan: Hoe krijg je ondanks de onderlinge niveauverschillen toch iedereen actief betrokken te krijgen in de klas?
In de eerste weken van het schooljaar steek ik veel tijd in het leren kennen van de leerlingen en in het inzichtelijk krijgen van de werk- en denkniveaus van de leerlingen. Een lange zomervakantie, wennen aan de nieuwe groep en aan het schoolritme, het kan allemaal invloed hebben op het kunnen toepassen van de eerder geleerde lesstof.
Eerder vertelde ik al dat één van mijn persoonlijke doelen voor dit schooljaar het leren loslaten is. Ik ben nog aan het ontdekken op welke manier dit vorm moet gaan krijgen en waar dit kan, dus in dat opzicht zijn het ook de Gouden Weken voor mij.
Eén van de activiteiten waarbij je op een relatief eenvoudige manier inzicht kunt krijgen in het werk- en denkniveau van de leerlingen is de opdracht met de getalkaartjes. Je kunt natuurlijk de moeilijkheidsgraad aanpassen door kaartjes met hogere aantallen te nemen, maar het principe is hetzelfde als in dit voorbeeld.
Ik heb eerst iedere leerling een kleur getalkaartjes uit laten zoeken. Voor een buitenstaander kan dit misschien onlogisch en tijdrovend lijken, maar voor mij zat hier wel degelijk een gedachte achter. Eén van mijn leerlingen praat vrijwel niet in de klas en dit was een mooie manier om taal bij hem uit te lokken. Ook kon ik tegelijkertijd checken of iedere leerling de kleuren kan benoemen en doordat je in een snel tempo bij iedereen langsgaat, vraag je van iedereen betrokkenheid.
Nadat iedereen een set kaartjes gekregen had vroeg ik ze om de kaartjes op tafel te leggen. Daarna deed ik (ook in het kader van loslaten) even helemaal niets. Ik was wel benieuwd naar wat ze met de kaartjes zouden gaan doen. Ontdekken ze dat de getalkaartjes een serie vormen van 0 t/m 10? Brengen ze structuur aan? En op welke manier doen ze dit dan?
Het geeft mij in de eerste minuut al veel waardevolle informatie. Sommige leerlingen kennen de volgorde van de getalsymbolen nog niet, anderen draaien de 6 en de 9 om. Dit heeft te maken met lateralisatie (meer uitleg over lateralisatie en een aantal oefeningen die je kunt inzetten als voorbereiding op het leren lezen en schrijven vind je hier. Een aantal kinderen legt de kaartjes in een lange rij van 1 t/m 10, anderen maken twee rijtjes van vijf. En heel bijzonder vind ik ook altijd het voorbeeld van de foto: getallen die van rechts naar links geordend worden. In dit geval denk ik te verklaren doordat in sommige culturen van rechts naar links gelezen wordt. Hoe dan ook, heel interessant om dit te observeren.
Daarna schreef ik de getalsymbolen van 0 t/m 10 in volgorde op het digibord op, waarbij we ondertussen met z’n allen synchroon meetelden. Vervolgens vertelde ik ze dat ze de ogen dicht mochten doen en dat ik één getal weg zou halen van het digibord. Op mijn teken mochten ze weer kijken en het kaartje met het getal dat miste omhoog houden. Deze oefening herhaalden we een aantal keer. Het vraagt van iedereen actieve betrokkenheid en voor mij is het heel gemakkelijk om snel te checken wie dit beheerst.
Na een aantal keer oefenen maakte ik het wat moeilijker en haalde ik niet één, maar twee getallen uit de getallenrij. Als afsluiter heb ik gedifferentieerd op niveau door bij de leerlingen zelf kaartjes te ‘stelen’: bij de leerlingen met getalbegrip t/m 3 kaartjes op dit niveau, bij de anderen moeilijkere getallen. Vervolgens konden ze hun kaartjes terugverdienen, door de ‘gestolen’ nummers te noemen.
Een eenvoudige en doeltreffende activiteit die je prima in kunt zetten als inleidende activiteit bij je rekenles. Ik heb hiervoor de getalkaartjes 1 t/m 10 uit mijn bundel Spetters van plussommen & minsommen gebruikt. Deze kun je hier gratis downloaden.
